Die Beemster                                                               Deurpad                                                 Home

Die Beemster

Die Beemster soos Purmer, Purmerend en Edam is buite die Zaanstreek geleë. Die Beemster het sy naam te
danke aan 'n rivier bekend as Bamestra. Die beemster was jare gelede eers' n meer. Maar dan a.g.v 'n te kort
aan goeie landbougrond en grond vir behuising besluit die destydse regering in 1607 om die Beemster te droog.
In beheer van die projek was Jan Adriaan Zoon met die bynaam Leeghwater. Met sy vernuf en met finansieële
hulp van VOC koopmanne ( handelaars) word die Beemster met 'n ringdyk "omdyk" en met 40 meulens tussen
1607 - 1612 drooggemaal.
Na drooglegging is die polder ( 'n laagliggende land wat drooggelê is ) "verkavel" in vierkante en reghoeke.
Aangesien die seeklei baie vrugbaar was kon die "nuweland" deels aangewend word vir landbou doeleindes.
Hierna word ook ander mere soos Purmer (1620), Wormer (1626) en De Schermer (1635) drooggelê.
Die verandering van die groot meer, eindelik 'n binnelandse see tot 'n vrugbare polder word beskou as
'n meesterstuk uit die 17de eeu. Dreinering van die polder Beemster word vandag gedoen deur 3 pompstasies:
Een naby De Rijp, 'n ander naby Oosterhuizen en 'n ander een naby Beets.

Die Beemster bestaan uit die Noordbeemster, Westbeemster Zuidoostbeemster en Middenbeemster wat ook
die gemeentebestuur huisves.

Wat is een grutterij?
Om te beginnen wordt het hoog tijd om in het kort te vertellen wat
een grutterij eigenlijk is. Daarmee bedoelen we een maalderij waar
boekweit en havergort worden gepeld. Op een eest (een Fornuis
of oven), werd de boekweit of haver gedroogd zodat de zaadkern
los in de dop kwam.
In de breeksteen volgde dan een maalproces waardoor dop en
zaadkern gescheiden warden. De doppen werden uitgezeefd en
gewaaierd en konden als brandstof voor de eest dienen. Tegelijk
werden de grutten in verschillende groftes uitgesorteerd en de
fijnstewerden tot gruttenmeel vermalen. De eindproducten bestonden
uit grove-middel-en fijne boekweit of havergrutten en boekweitmeel of gruttemeel. Ter plekke werden die afgewogen en verpakt en detail
verkocht. Voor het hele process van malen, zeven en uitwaaien werd
een rosmolen gebruikt, omdat windKracht voor het gruttersbedrijf te onregelmatig was.
In een rosmolen deden paarden het zware werk. Zij liepen in een houten gestel met ham ronden brachten een stevige
spil in beweging waaraan een zeer groot kamwiel was bevestigd, waardoor de breeksteen, de maalsteen, het zeefwerk
en de waaierij in beweging werden gezet.
Het paard of paarden liepen nooit langer dan een uur achter elkaar hun rondjies, daarna volgde aflossing met een tweede
paard of Koppel en had het eerste een uur rust. Met hulp van een zandloper werd die tijd in de gaten Gehouden. Inligting.
A.J. Bernet Kempers, pagina 29.